Ogen.
Op een mooie dag met veel zonneschijn in mei was het huwelijk van mijn dochter Sally, met haar lelijke vent Durus, gepland. Iedereen denkt dat dit een schrijffout is, maar Durus is zijn echte naam. Geen grapje of vergissing, maar een naam die soms voorkwam in de Zweedse middeleeuwen, maar die tegenwoordig niet meer wordt gebruikt omdat het een akelige naam is. Vooral in Nederland.
En omdat je geen mooie dag in mei kunt plannen zo rond de kerstdagen, regende het dus die dag in mei. Ondanks dat, ging de trouwerij toch gewoon door.
Mijn dochter zag er werkelijk oogverblindend uit. Helemaal in het wit, met een prachtige sluier en glinsterende witte lakschoenen. En dat al, omlijstte haar fijne gezichtje en fraaie figuur. Kortom het beste wat ik ooit in mijn leven heb gemaakt.
En dat ging nu trouwen met Durus. Deze knaap kwam uit een zogenaamd adellijke familie. De deftigheid kwam je al tegemoet als je bij hen de oprijlaan opging. Dat heb ik één keer gedaan, toen we zo nodig van mijn dochter de ouders van Durus moesten ontmoeten omdat onze wederzijdse kinderen zouden gaan trouwen.
De bediende was nog netter gekleed dan ik, terwijl ik toch heel ver was meegegaan met de wensen van mijn dochter inzake correcte kleding voor deze ontmoeting. En dat liet de bediende merken ook! Minachtend nam hij mij op, te beginnen met een prutlipje bij mijn schoenen, klakgeluidjes bij mijn pak en gesis bij mijn hoofd. Had ik mijn haar niet gekamd? Later hoorde ik dat de bediende vooral was teleurgesteld omdat ik geen hoed droeg.
Durus was al niet veel beter. Zijn pakken werden op maat gemaakt door modehuis “House of England” en de labels van die club zaten aan minstens zes kanten van zijn broek, wat in zijn geval pantalon heet, zodat iedereen maar vooral kon zien waar het vandaan kwam. Samen met zijn gedrongen uiterlijk, hij had namelijk geen nek, en de puisten op zijn gezicht, niet echt de ideale schoonzoon. Maar ik moet het er mee doen… want als er iets is waar je als vader niets aankunt veranderen, is het de partnerkeuze van je dochter. En mij vond hij ook niet veel. Hij had het niet zo op met kunstschilders en schrijvers, en ik ben het allebei.
Die mooie regenachtige dag in mei was begonnen met het thuis ophalen van mijn dochter door die nerd. Onze straat, gewoon een rijtjeshuizenstraat met aan twee kanten 12 woningen, was niet lang genoeg voor de limousine waar die uitslover mee kwam. Eventjes vond ik het wel stoer, zo’n dure auto in de straat voor mijn dochter. Iets van trots ging door me heen. Maar daar heb je natuurlijk alleen wat aan als de buren het zien. En die zagen het! Sommigen kwamen naar buiten en anderen keken vanachter de vitrage.
Mijn trots zakte echter helemaal weg, toen ik zag dat drie van mijn (beste) buren op hun voorhoofd stonden te tikken. Ja, het was ook idioot.
Wij mochten niet mee in de limousine, maar moesten er achteraan rijden.
Mijn Opel Astra is ook wit en mijn vrouw had ook een bloemetje aan de antenne gemaakt, maar daar hield de vergelijking dan ook mee op. Het was geen gezicht die twee auto’s achter elkaar, maar we gingen op pad.
Het viel niet mee voor de chauffeur. Bij elke bocht moest hij drie keer steken en ik stak mee met mijn Astra.
Na het gemeentehuis gingen we in dezelfde colonne naar de kerk.
Maar nu met nog vijf Astra’s en een Golf van onze familie en een rits veel te grote BMW’s en Mercedessen van de schoonfamilie.
Een paar mensen waren al gaan zitten maar de meeste liepen nog rond en met elkaar te babbelen. Het bruidspaar was er nog niet.
Ik moest naar het toilet. En niet zodanig dat ik even naar buiten kon tegen een boom. Bovendien moest ik ook heel nodig. Ik liep rond en keek eens achter een zwart gordijn, achter de grote pilaren in de hal bij de ingang, maar niets te vinden.
Uiteindelijk, voor in de kerk hing een piepklein bordje met daarop WC bij een grote eiken deur. Merkwaardige bouwstijl, zo helemaal vóór in de kerk dacht ik.
Ik deed de deur open en verwachtte een hal, een hoge, maar vooral grote hal, met daarin twee deuren voor dames en heren en daarachter weer voorportaal om je handen te wassen en dan de deur naar het toilet, logisch toch? Niets van dat al. Ik keek in een hokje van één bij twee meter met een pot.
Dat lijkt normaal voor een toilet, maar in die omstandigheden was het bizar. Rechtsreeks vanuit de kerk, in het zicht van 100 bankjes een wc…. Belachelijk.
Ik keek om me heen en iedereen liep rond, maar niemand sloeg aandacht op mij. Ik moest echt nodig en bij het zien van die pot helemaal.
Geen getreuzel, even gauw naar het toilet en er weer uit, geen haan die er naar kraait.
Maar zo ging het niet. Zonder al te veel details te noemen, ging het met horten en stoten. Er kwam wel wat maar niet veel, met kleine beetjes tegelijk en de aandrang bleef, nogal heftig zelfs.
Uiteindelijk heeft het ongeveer vijf minuten geduurd en dat is echt niet lang voor mijn doen, want thuis kan ik wel een katern van de zaterdagkrant uitlezen op zo’n sessie, maar het was toch te lang gezien de omstandigheden.
Ineens stopte de muziek en het geroezemoes van stemmen. Snel wilde ik de laatste hygiënische handeling verrichten en pakte papier. Maar pech komt nooit alleen.
Nee, niet dat het papier op was, maar het hing aan een houder aan de deur.
In mijn paniek deed ik het allemaal iets te wild en daardoor raakte ik de deur in plaats van het papier.
In de doodstille kerk ging met een hoop gekraak en gepiep de deur langzaam open. Ik kon zittend net niet meer bij de deurgreep en was overgeleverd aan de goden, so to say.
Terwijl ik daar zat, was de deur helemaal open gegaan en keken 100 paar ogen mij verbijsterd aan. Nog vier ogen kwamen daar bij, toen het bruidspaar zich omdraaide.
Laat de situatie inwerken.
Er zijn van die dagen, dan voel je je niet zo gemakkelijk in bepaalde omstandigheden; er zijn ook dagen dat je je vreselijk voelt in bepaalde omstandigheden. En er zijn ook dagen dat je het liefst van de aardbodem zou willen verdwijnen door de omstandigheden. En dat was nu. Het liefst had ik mij in de pot laten zakken en mezelf doorgespoeld.
Mijn dochter gilde “papa” en sloeg haar hand voor haar mond.
Dat had ik net nú nodig, die aandacht, op die plaats op dat moment. Maar het maakte eigenlijk niet uit, iedereen keek toch al.
Enige tijd bleef het stil en niemand deed wat. Stoere kerels doen altijd wat in moeilijke situaties. En ik dacht dat ik ook een stoere kerel was, maar ik deed niets en bleef als verlamd zitten.
Met mijn broek en onderbroek op m’n enkels opstaan om de deur dicht te doen, kwam niet in mij op. In bepaald opzicht heb ik niets om mij voor te schamen, niet in vorm en ook niet in formaat. Dat weet ik van het nudistenstrandje waar we wel eens heen gaan. Maar toch stond ik niet op. Er was ook verder niemand anders die actie ondernam. Ik keek eens achterom, maar er was geen nooduitgang. Ik keek eens smekend omhoog, maar God was in geen velden of wegen te bekennen, of in ieder geval niet bereid mij bij te staan. En dat in de kerk…!
Na een eeuwigheid kwam er een of andere klerk in zo’n pinguïnkostuum – ik weet niet hoe zo’n figuur van de kerk heet – en deed resoluut de deur dicht. Dat had ik even nodig. Opgelucht verrichtte ik de laatste handelingen en bleef nog even zitten tot de muziek begon. Dan kon ik het toilet doorspoelen en min of meer ongemerkt weer naar binnen en gauw gaan zitten.
Illusie.
De voorganger, een andere vent van de kerk, maar dan in een wit pak, was zo vriendelijk om even op de vader van de bruid te wachten en het bleef doodstil.
Wat nu? Gewoon doortrekken en naar mijn plaats lopen? Echt niet. Niet doortrekken en naar mijn plaats lopen? Zeker niet, de lucht was nu al niet te harden. Blijven zitten tot de trouwerij achter de rug is? Nee, dat gaat ook niet. Duivelse dilemma’s in de kerk en intussen gebeurde er niets.
Ik heb wel eens geleerd, dat als je ergens bang voor bent, dat je dan in gedachten die handeling moet uitvoeren en dan in gedachten kijken wat er gebeurt. Dan blijkt dat het allemaal wel meevalt. Dat bracht ik nu in de praktijk. Ik zag mezelf de deur open doen, met het geluid van een doorspoelende wc achter mij. Ik zag mezelf de deur dicht doen en ik zag mezelf naar mijn plaats lopen. Kwestie van hooguit 10 seconden.
Maar wat voor 10 seconden… Afschuwelijk. Ik zag alleen maar die paar honderd ogen in mijn gedachten, waarvan er zeker vier, héél verwijtend, van mijn vrouw en van mijn dochter. En ook nog een heleboel meewarig kijkend ogen en verder allerlei soorten uitdrukkingen in ogen, die je liever niet op je gericht hebt. Ogen, ogen en nog eens ogen.
Sommige situaties blijven slecht en sommige situaties veranderen soms ineens ten goede.
Het witte pak was blijkbaar het wachten op mij beu en de muziek begon. Het orgel zette in en omdat ik daar vlak onder zat, hoorde ik dat bijzonder goed. Ik spoelde de wc door en er klonk geklop op de deur. Geklop op een wc-deur? Ik wilde ‘binnen’ roepen, maar vond dat idioot en deed de deur op een kier. De pinguïn deed hem verder open en ik keek tegen een zwart gordijn. Geen ogen. Helemaal geen ogen. Behalve dan de twee soepogen van die pinguïn.
Over de hele breedte en hoogte van de achterkant van de kerk was een zwart gordijn dichtgetrokken en daar zat ik achter. God bestaat, dacht ik.
Door een zijdeur werd ik, onzichtbaar voor de hele goegemeente naar buiten geloosd. Volgens die pinguïn kon ik dan weer door de hoofdingang naar binnen en ongemerkt achterin de kerk gaan zitten.
Met diepe teugen snoof ik de buitenlucht op. De opluchting droop van me af, zoals het zweet van mijn voorhoofd.
De drang om er vandoor te gaan was groot. Miljoenen jaren lang namen onze voorvaderen en andere voorzaten onmiddellijk de benen in geval van gevaar. En dat oerinstinct deed wel heel erg van zich spreken, op dit moment.
Maar als ik dat zou doen, had ik nog wel een ander probleempje op te lossen. Met mijn vrouw en mijn dochter. Ze hebben dan weliswaar mooie ogen allebei, maar toch.